
2. Rode hond (Rubella)
Algemeen
Rode hond wordt veroorzaakt door een virus (het rubella-virus). Iedereen die niet immuun is, kan de ziekte op elke leeftijd krijgen. Rodehond is doorgaans niet ernstig voor kinderen, maar kan wel gevaarlijk zijn voor volwassenen. Vrouwen die in de eerste maanden van hun zwangerschap met rodehond besmet worden, hebben een grote kans op een miskraam of een baby met aangeboren afwijkingen.
Besmetting
Rodehond wordt overgebracht door hoesten of niezen of zelfs praten (via druppeltjes uit de ademhalingsorganen). Besmette druppeltjes kunnen ook via de handen, via bestek en bekers of via het speelgoed op anderen worden overgedragen. Na besmetting duurt het twee tot drie weken voordat de ziekteverschijnselen optreden. Rode hond is besmettelijk vanaf 10 dagen vóór tot 7 dagen na het uitbreken van de vlekjes. De ziekte wordt tijdens de zwangerschap ook overgedragen van moeder op kind (via de placenta) en kan dan leiden tot aangeboren afwijkingen.
Symptomen
Rode hond begint vaak met een verkoudheid. De symptomen die twee tot drie weken na de besmetting optreden zijn onder meer:
Behandeling
Rodehond is voor jonge kinderen een vrij onschuldige aandoening. De vlekjes verdwijnen na enkele dagen spontaan en er treedt zelden hoge koorts op. Verzorg het kind als bij een flinke verkoudheid. Geef het veel te drinken. Uw kind mag gewoon naar school. Meld de besmetting op school of op het kinderdagverblijf zodat andere ouders gewaarschuwd kunnen worden over een mogelijke besmetting. Als niet-immune vrouwen tijdens de eerste drie maanden van hun zwangerschap met rodehond worden besmet, is er tachtig procent kans dat de baby daarvan gevolgen ondervindt. Baby’s van wie de moeder tijdens de zwangerschap besmet is geraakt met rodehond, kunnen geboren worden met afwijkingen aan of misvorming van de ogen, het hart of de oren.
Vaccinatie
Het nut van vaccinatie De vaccinatie tegen rodehond werd in 1974 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma om zwangere vrouwen te beschermen. Voor die tijd kwamen er elke vier jaar epidemieën voor. Het aantal patiënten kon oplopen tot enkele duizenden. Nu komt de ziekte nog maar zelden voor. Dat vaccinatie belangrijk is toont de rodehondepidemie van 2004-2005 aan. Die heerste onder niet-gevaccineerden, en zorgde voor minstens 387 ziektegevallen. Daar waren 32 zwangere vrouwen bij.
Het vaccinatieschema
Kinderen worden tegen rodehond ingeënt als ze 14 maanden zijn en als ze 9 jaar zijn. Vroeger was er een apart rodehondvaccin, dat meisjes van 11 jaar kregen. Sinds 1987 is de vaccinatie onderdeel van het combinatievaccin BMR, dat behalve tegen rodehond ook tegen bof en mazelen beschermt. De BMR-prik wordt onderhuids in de bovenarm gegeven. Tegelijk met de eerste BMR-inenting krijgen kinderen ook een inenting tegen meningokokken C. De tweede BMR-inenting wordt tegelijk met de DTP-prik gegeven. Deze prikken krijgen kinderen op een andere plek dan de BMR-prik. De twee BMR-prikken samen zorgen voor levenslange bescherming tegen rodehond. Mogelijke bijwerkingen van de BMR-vaccinatie De BMR-inenting geeft meestal weinig bijwerkingen. Als ze voorkomen, zijn ze mild en duren ze kort.
Bijwerkingen beginnen pas 5 tot 12 dagen na de vaccinatie.